In het sterrenspoor van Star Wars (2)
De heropleving van SF na Star Wars

9 januari 2016 · · Analyse + Salon Galaxy

Eind jaren zeventig en in de jaren tachtig van de vorige eeuw trachtte Hollywood, volgend op het internationale succes van Star Wars, opnieuw een lucratieve SF-markt aan te boren. In het eerste Sterrenspoor-artikel werd deze ontwikkeling al geschetst, nu zal verder worden ingegaan op deze heropleving van het beproefde SF-genre. Deze leverde vele producties op die qua benadering en uitvoering even divers als talrijk waren. Hetgeen soms superieure sciencefiction opleverde, die tot op de dag van vandaag als klassiekers te boek staan.

1977 was een erg goed jaar voor sciencefiction. Niet alleen verzengde de commerciële supernova van Star Wars de recettes van alle voorgaande Amerikaanse speelfilms, ook regisseur Steven Spielberg leverde een zowel door critici als publiek zeer goed ontvangen SF-film af, die samen met het latere Schindler’s List (1993) tot zijn meest persoonlijke producties kan worden gerekend. Die film is Close Encounters of the Third Kind (1977). Het verhaal, waarin een eenvoudige telecom-monteur tijdens een nachtelijke klus UFO’s ziet, en sinds deze close encounter in de ban raakt van het bestaan van buitenaardse wezens, is puur Spielberg: (melo)dramatisch, spannend en vol verwondering over de mogelijkheid van buitenaards leven.

Tevens is het thema van een uiteenvallend gezin, een belangrijk terugkerend gegeven in het oeuvre van Spielberg, pijnlijk voelbaar in Close Encounters… Spielberg, zelf afkomstig uit een gebroken gezin, putte als jong jochie na de scheiding van zijn ouders troost uit het turen naar de nachtelijke hemel, hopend op iemand die van voorbij de sterren zou komen om hem te helpen dit grote verlies te dragen. Dit thema zou later de basis worden voor één van Spielberg’s grootste successen: E.T. – The Extra-Terrestrial (1982).

Zo groot is Spielberg’s verlangen naar een kosmische band dat wanneer Roy Neary (Richard Dreyfuss), de protagonist uit Close Encounters…, de keuze heeft tussen het op Aarde blijven met een nieuwe vrouw en haar zoontje, en het samen met aliens verkennen van het heelal in een enorm ruimteschip, hij kiest voor de intergalactische odyssee. Dus volgens de regisseur Spielberg weegt het reizen tussen de sterren en contact leggen met buitenaardse beschavingen zwaarder dan het in stand houden van een gezin, hoewel dit voor het kind dat Spielberg eens was de meest vurig gevoelde hartenwens moet zijn geweest.

Grimmiger en angstaanjagender zijn de twee SF-films die in de daaropvolgende jaren in de bioscopen verschijnen: Invasion of the Body Snatchers (1978) en Alien (1979). Eerstgenoemde film is een herverfilming van Don Siegel’s gelijknamige SF-klassieker uit 1956 over de sluipende overname van mensen door buitenaardse wezens. Maar waar Siegel zijn film situeert in het fictieve provinciestadje Santa Mira, opteert regisseur Philip Kaufman voor de metropool San Francisco als plaats van handeling. Deze schaalvergroting werkt duidelijk spanningsverhogend, en daarnaast maakt de film duidelijk dat de aliens hun overname van het menselijk ras dit keer globaal aanpakken. Naast talrijke verwijzingen naar Siegel’s voorganger, levert Kaufman’s remake tevens ironisch commentaar op de op zelfontplooiing gerichte trends van de jaren zeventig van de vorige eeuw. In Invasion..., is zelfs een kleine maar sterke rol weggelegd voor Leonard Nimoy, die als de psychiater David Kibner het snode plan van de buitenaardse wezens faciliteert. En Nimoy’s vertolking van de grillige Kibner staat in bewust, en amusant, contrast met zijn rol als de kille, emotieloze Dr. Spock uit de SF-televiserie Star Trek (1966).

Alien van regisseur Ridley Scott is opgezet als een SF-variant op de gotische horrorfilm, waarin de beproefde setting van het gotische landhuis of kasteel is vervangen door een ruimteschip. Maar waarin het bekende spel van ’10 kleine negertjes’ en de lang ongeziene moordenaar die vanuit het verborgene toeslaat centraal staan. Ook vóór Alien bestond de combinatie van SF en horror al, getuige de talrijke sciencefiction B-films die de jaren vijftig van de vorige eeuw opluisterden. Maar de nadruk op visuele grandeur en technische detaillering die Scott in Alien tentoonspreidt is vrijwel uniek te noemen. Ruimteschepen, buitenaardse werelden, angstaanjagende, vreemde levensvormen: ze zijn allen uitgevoerd met een zorgvuldigheid en een realistisch gehalte dat Alien in het onbetwiste voorfront plaatst van kwalitatief hoogwaardige SF-films, slechts geëvenaard door producties als 2001 – A Space Odyssey (1968) en Star Wars (1977).

Het succes van Alien garandeerde dat Scott voor zijn volgende productie nog grootser kon uitpakken. Blade Runner (1982) is opgezet als een film noir, gesitueerd in het Los Angeles van 2019. Gebaseerd op SF-auteur Philip K. Dick’s roman Do Androids Dream of Electric Sheep? (1968) vertelt de film een verhaal waarin thema’s als leven en dood, kunstmatige intelligentie, androïden (in de film replicants genaamd) en de waarde van en verschil in menselijke en artificiële perceptie centraal staan. Scott’s sciencefictionfilm draagt dus metafysische elementen in zich, en is daarnaast een film met een welhaast episch production design. Niet sinds Fritz Lang’s Metropolis (1927) is er zoveel aandacht besteed aan het op een geloofwaardige manier creëren van een toekomstige wereld.

Scott, een perfectionistisch regisseur die sterk de nadruk legt op het visuele aspect van zijn films, huurde hiervoor industrieel ontwerper Syd Mead in. Deze was vooral bekend vanwege zijn zeer futuristische (grafische) ontwerpen voor bedrijven zoals Ford, US Steel en Philips. Mead was o.a. verantwoordelijk voor het ontwerp van de zgn. spinners, de vliegende auto’s die het luchtruim van LA anno 2019 in grote getale doorkruisen. Production designer Lawrence G. Paull vertaalde vervolgens de door Philip K. Dick en scenarioschrijver Hampton Fancher gecreëerde wereld naar een toekomstig Los Angeles, een prestatie die tot op de dag van vandaag wordt geroemd om de schaal, realistisch gehalte en visionaire ideeën over architectuur en stedelijke ontwikkeling.

Syd Mead was tevens als ontwerper betrokken bij wat één van de belangrijkste SF-films van 1982 zou worden: Tron. Deze film is vooral bijgezet in de annalen van SF-klassiekers vanwege de centrale rol die computeranimatie in het ontstaansproces ervan speelde. De film, waarin een computerhacker terecht komt in een digitale wereld waarin hij de strijd aanbindt met het oppressieve Master Control-programma, tracht een brug te slaan tussen Star Wars (1977) en een jong publiek van computergebruikers. In de jaren tachtig van de vorige eeuw was de PC immers flink in opkomst, en computerfabrikanten zoals Apple richtten zich daarom ook op de filmindustrie om zo een nog groter publiek aan te spreken, en dus een grotere afzetmarkt te creëren.

Bladzijdes: 1 2


Onderwerpen: , , , , , , , , , , , ,


2 Reacties

  1. Peter Cornelissen

    Maar waar blijft die diepere analyse van L’Umanoide (1979)?
    Om maar wat te noemen :)

  2. Rob Comans

    Goh, waar ik vandaan kom is het gebruikelijk om eerst inhoudelijk commentaar te geven op een stuk. Dus zeggen wat je er goed of niet goed aan vond. Dit soort commentaar waarbij meteen met de deur in huis gevallen wordt is totaal niet aan mij besteed. Daarbij heb ik nog nooit van de film die je noemt gehoord, maar zie wel dat ‘ie een 3,9 krijgt op IMDb. Dus analyses van dat soort films laat ik met alle liefde aan jou over, Peter. Graag een volgende keer een reactie die iets meer hout snijdt.


Reageer op dit artikel