Top 10 komedies volgens de redactie

Er werd deze maand meermaals aan gerefereerd: niets zo subjectief als humor. Waar de één onbedaarlijk kan lachen om de films van Adam Sandler, zijn ze voor de ander een ware marteling. Voor de één is One, Two, Three een komisch meesterwerk, voor de ander een gedateerd prul. Als het gaat om komedies is zelfs niet eenduidig wat nu precies een goede komedie maakt. Veel geslaagde grappen? Naast grappen ook een serieus randje? Een portie maatschappijkritiek (satire)? We sluiten de maand af met de tien favoriete komedies van elke Salon Indien-redacteur.

Erwan Ticheler

Een top 10 maken van beste komedies aller tijden is een vrijwel onmogelijke opgave, aangezien het genre zo breed is en ieder zijn eigen visie van komedie heeft. Zo zullen vast velen mijn hoogste notering amper een komedie noemen gezien de hier en daar duistere toon. Toch is Trainspotting een van de grappigste films die ik ooit gezien heb. En zo gaat dat op voor wel meer titels uit mijn lijst, films die je wellicht eerder in een ander filmgenre zou plaatsen. Een komedie hoeft wat mij betreft ook heus niet constant de lachers tevoorschijn te toveren en dat maakt het genre zo interessant en gevarieerd.

1. Trainspotting (Danny Boyle, 1996)
2. Dr. Strangelove or: How I Learned to Stop Worrying and Love the Bomb (Stanley Kubrick, 1964)
3. The Bride of Frankenstein (James Whale, 1935)
4. Le Charme Discret de la Bourgeoisie (Luis Buñuel, 1972)
5. Inside Out (Pete Docter, 2015)
6. Braindead (Peter Jackson, 1992)
7. Modern Times (Charles Chaplin, 1936)
8. The Jungle Book (Wolfgang Reitherman, 1967)
9. One, Two, Three (Billy Wilder, 1961)
10. The Purple Rose of Cairo (Woody Allen, 1985)

Kaj van Zoelen

Weinig lijkt zo subjectief als humor, zeker binnen het kader van de filmkritiek. En dus zullen onze lijstjes hier ook weinig gemeen hebben. Het is naar mijns inzien bijvoorbeeld altijd erg knap als een komedie niet alleen laat lachen maar ook doet nadenken of meerdere lagen heeft. Dat de humor niet ten koste gaat van de boodschap, maar beiden in balans zijn. Vaak is komedie juist hét genre om de absurditeit van het leven aan te tonen, ook al lijkt dat soms zo serieus en/of somber. Bijna alle bovenstaande tien films doen dat wel op de een of andere manier én zijn daarnaast ook gewoon erg grappig. Hoewel dat dus nogal aan smaak onderhevig is, zeker in het laatste geval.

1. The Big Lebowski (Joel & Ethan Coen, 1998)
2. Dr. Strangelove or: How I Learned to Stop Worrying and Love the Bomb (Stanley Kubrick, 1964)
3. Life of Brian (Terry Jones, 1979)
4. His Girl Friday (Howard Hawks, 1940)
5. The Royal Tenenbaums (Wes Anderson, 2001)
6. Running On Karma (Johhnie To, 2003)
7. La femme de l’aviateur (Eric Rohmer, 1981)
8. Offside (Jafar Panahi, 2006)
9. To Be Or Not To Be (Ernst Lubitsch, 1942)
10. The Chinese Feast (Hark Tsui, 1995)

Hendrik de Vries

Tja, de beste komedies? Zijn dat per definitie de films waar je het meest om gelachen hebt? Of hoort hier ook nog enige inhoudelijkheid en andere prikkeling bij? Soms is er niks fijner dan gewoon even keihard te lachen om hele flauwe en inhoudsloze humor. Satire is dan weer zo’n genre wat zich er uitstekend voor leent om via humor gedurfde thema’s aan te snijden en de randjes van wat wel en niet kan op te zoeken. Zelfspot, minderheden belachelijk maken, taboes doorbreken, het komediegenre mag zich er gelukkig schuldig aan maken. Dat het daarmee appels met peren vergelijken is blijft, hoe clichématig ook, waar. Daarom de beste komedies in de breedte van het genre in alfabetische volgorde.

Annie Hall (Woody Allen, 1977)
Being There (Hal Ashby, 1979)
The Big Lebowski (Joel & Ethan Coen, 1998)
Clerks (Kevin Smith, 1994)
Happy Gilmore (Dennis Dugan, 1996)
The King of Comedy (Martin Scorsese, 1982)
Life of Brian (Terry Jones, 1979)
Monsieur Verdoux (Charles Chaplin, 1947)
To Be or Not to Be (Ernst Lubitsch, 1942)
Trouble in Paradise (Ernst Lubitsch, 1932)

Theodoor Steen

Komedie gaat voor mij voor een groot deel om spelen met het onverwachte. De prikkel die de kijker ervaart wanneer zijn aannames onderuit worden geschopt kan niet zelden als plezierig worden ervaren. Ik zoek dus humor in het speelse, maar ook in het doelbewust onderuitschoppen van de kijker en heilige huisjes. Wat dat betreft leek het me gepast met een schaduwlijst te komen: niet mijn favoriete komedies aller tijden, niet de beste klassieke voorbeelden, maar films die mijn aannames rondom komedie en film danig onderuit schopten, of die onverwacht grappig waren.

Coonskin (Ralph Bakshi, 1975)
Dead But Not Buried (Phil Mulloy, 2012)
Ex Drummer (Koen Mortier, 2007)
Final Flesh (Vernon Chatman, 2009)
Gremlins 2: The New Batch (Joe Dante, 1990)
Helzapoppin’ (H.C Potter, 1941)
Lisztomania (Ken Russell, 1975)
Schizopolis (Steven Soderbergh, 1996)
Southland Tales (Richard Kelly, 2006)
Visitor Q (Takashi Miike, 2001)

Rik Niks

Grappendichtheid is voor mij nauwelijks een criterium bij een komedie. Veel aantrekkelijker vind ik de lichte toon, die in optima forma voor een continue glimlach zorgt. Komedie is het genre dat de lichtheid van het bestaan viert, een middelvinger opsteekt tegen gewichtigheid en zwaar aangezette emoties. Deze tien films relativeren in meerderheid de ernst van het bestaan op een geweldige manier, een perfect medicijn bij neerslachtigheid.

Bee Movie (Steve Hickner, 2007)
City Lights (Charles Chaplin, 1931)
Glengarry Glenn Ross (James Foley, 1992)
Groundhog Day (Harold Ramis, 1993)
Happiness (Todd Solondz, 1998)
Inside Out (Pete Docter, 2015)
Le charme discret de la bourgeoisie (Luis Buñuel, 1972)
Playtime (Jacques Tati, 1967)
Punch-Drunk Love (Paul T. Anderson, 2002)
The Long Goodbye (Robert Altman, 1973)



Reageer op dit artikel