De Disney-Packagefilms (1941-1949)

15 augustus 2009 · · Beschouwing

Het klinkt tegenwoordig misschien raar, nu we de naam Disney associëren met een gigantische mediacorporatie die films uitpoept aan de lopende band, maar toen Walt Disney aankondigde bezig te gaan met Snow White and The Seven Dwarves (1937)werd dat gezien als een financieel risico. Sterker nog, men noemde het commerciële zelfmoord. Toen Snow White echter een enorme box office hit werd en overal lof ontving leek er een markt te zijn voor avondvullende animatiefilms. Na het succes van Snow White en Pinocchio (1940) werd besloten enkele korte films te bundelen op hun muzikale thema. Fantasia (1940) werd geboren. Fantasia was eveneens een groot succes, commerciëel en artistiek gezien, en ook Dumbo (1941) scoorde goed. Het ging echter mis bij Bambi (1942). Tegenwoordig is Bambi één van de grote klassiekers, maar destijds was het een gigantische flop. Het bewees dat het bedrijf Disney ook er naast kon schieten, en financiëel niet altijd voor goud zorgde. Tijdens de tweede wereldoorlog bleek het te duur en te risicovol zijn om lange speelfilms los te laten op de markt dus greep men terug op een formule die nog wél werkte. Als lange speelfilms niet bij voorbaat een succes waren, waarom zou men dan geen groep korte films bundelen? Voor Fantasia werkte het immers ook. En zo werden de Package-formule geboren, die Disney een decennium zou gebruiken.

De eerste van de packagefilms die ik wil bespreken behoord niet officieel tot deze subcanon, maar wordt er niet zelden ook toegerekend. Het gaat hier om een “docu” rondom het reilen en zeilen van de Disney-studios genaamd The Reluctant Dragon (1941). In een fictief verhaal rondom een man die een film wil pitchen bij ome Walt wordt de werkwijze van de animators ontleed en zien we ook enkele korte films in (on)affe staat. Aangezien de focus hier meer ligt op het uit de doeken doen van het animatieproces dan op de korte film is de plaats in dit canon twijfelachtig (zeker omdat hij nog net buiten de financieel onzekere peridoe valt). De eerste echte zijn Saludos Amigos (1942) en The Three Caballeros (1944).

Saludos Amigos en The Three Caballeros draaien beiden rondom Zuid Amerika. Geïnspireerd door een trip op dat continent kwamen vier animators met een filmpje op de proppen. Verzameld vormen deze Saludos Amigos, wat het beste omschreven kan worden als visueel gekloot van de animatoren, zonder een goed script te hebben. Dit levert visuele egotripperij op, die weliswaar heerlijk vermakelijk is, maar tevens niet de volle speelduur blijft boeien. Hetzelfde geld voor The Three Caballeros, waar de focus meer komt te liggen op Donald Duck en twee van zijn vrienden (Panchito en Zé Carioca) maar die ook verzand in een bizarre musical. Het zijn films die waarschijnlijk een stuk beter werken met de nodige drogerende middelen.

Voor Make Mine Music (1946) worden er wel scripts uit de kast gehaald. Net als bij Fantasia ligt de focus weer op de muziek, maar in tegenstelling tot Fantasia is het geen erg goede film. Waar bij Fantasia visueel flink uitgepakt wordt, en de animatoren elkaar duidelijk proberen te overtreffen, is het hier vooral de financiele en artistieke nood die duidelijk wordt. De ideeënplanken worden voor deze films leeggeplunderd, terwijl de ideeën nog niet altijd in volledige staat lijken te zijn. Ook visueel is het armoe, waarbij de voor Disney typische multi-plane-techniek (het beeld opbouwen uit vele animatielagen die een suggestie van diepte wekken) niet of nauwelijks benut wordt. Hetzelfde geldt ook voor Melody Time (1948), wat een officieus vervolg is op Make Mine Music.

Voordat Melody Time gemaakt werd, kwam disney echter nog met Fun and Fancy Free (1947), dat het moet doen met twee alleraardigste segmenten, die aan elkaar gepraat worden door Jiminy Cricket en de meest irritante buikspreker ooit: Edgar Bergen. Beiden segmenten zijn een stuk beter dan wat de Disney-package films hiervoor leverden, maar de narratie doet de film de das om. Ook The Adventures of Ichabod and Mr. Toad (1949), de laatste package-films bestaat uit twee segmenten, gelukkig zonder buiksprekers. De eerste van de verhalen haalt de inspiratie uit Wind in The Willows, en is een leuke vertelling, met een onnodig gecompliceerd gemaakt plot. Hetzelfde geldt voor Ichabod’s verhaal, ook verteld in Tim Burton’s Sleepy Hollow. Met Fun and Fancy Free en The Adventures of Ichabod and Mr. Toad wordt er meer tijd genomen om een verhaal te vertellen, en dat komt de kwaliteit ten goede.
Beiden zijn geen onaardige films, maar missen de charme van Disney’s sterkere producties.

Is het een wonder dat de Package-films nooit de klassieke status hebben bereikt van andere Disney-films als Dumbo, Bambi en Snow White, of de status van andere segmenten-Disneys als Fantasia en The Many Adventures of Winnie The Pooh (1977)? Het kan er niet alleen maar aan gelegen hebben dat het gerushte producties zijn, waarbij de laatste ideeën worden uitgemolken zonder dat ze tot wasdom zijn gekomen. Het zijn ook films die door Disney nauwelijks meer gepromoot worden, terwijl films als Bambi en Alice in Wonderland (1951) later wel hun tweede, derde en vierde kansen hebben benut. Het zijn niet de enige films die door Disney weinig aandacht krijgen. Ook Song of the South (1946) en Victory Trough Air Power (1943) worden achtergehouden. De eerste vanwege achterhaalde ideeën omtrent rassenscheiding, de tweede omdat deze alleen historische waarde heeft als oorlogspropaganda. Maar omtrent de Packagefilms liggen geen politieke of sociale problemen. Heeft het te maken met moeilijke marketing? Geen korte film, geen lange film? Hoewel de kwaliteit van deze films onder de maat ligt van de meeste Disney-films krijgen mindere producties als The Aristocats (1970) en The Sword in The Stone (1963) wel hun kansen. Ook de Packagefilms verdienen zeker een groter publiek dan nu het geval is, al is het alleen maar vanwege de curiositeitswaarde.


Onderwerpen:


5 Reacties

  1. Christiaan Boesenach

    Tijdens de tweede wereldoorlog zijn er meerdere andere interessante Disney filmpjes geboren, wat betreft oorlogspropaganda.
    Donald Duck: Der Fuehrer’s Face (1942) is daar wellicht een van de bekendste (en grappigste) voorbeelden van.
    En ik kwam tevens een ander aardig stukje van Disney’s antipropaganda tegen: Education For Death (1943).

  2. theodoor

    Jup, ik ben daar bekend mee. Geweldig werk inderdaad. Disney is wat mij betreft een onderschat bedrijf, zeker wat kortfilms betreft (het werk van Ben Sharpsteen en Ub Iwerks is fantastisch) en hun propagandakant is erg interessant. Ook hun educatieve filmpjes kunnen gaaf zijn (The Story of Menstruation noemt nooit het woord zwangerschap, eileider, gemeenschap, sex of zelfs baby). Maar omdat het al een artikel aan de lange kant was , besloot ik me voor deze keer bij de meest onderbelichte periode te houden: De packagefilms.

  3. Christiaan Boesenach

    Ik kwam, wonderbaarlijk genoeg, met de propagandakant van Disney in aanraken door het ckv examen van afgelopen jaar. Ik neem me inmiddels al een hele tijd voor me erin te gaan verdiepen, helaas is dat er nog niet van gekomen. Wellicht is je artikel een goede aanleiding daarvoor.

  4. theodoor

    Wat de Package-films zo interessant maakt, echter, is dat het geen oorlogspropaganda is (Victory trough Air Power wel), maar dat het gewoon een goedkope manier is om korte film te bundelen. En daardoor mensen, zo kostenloos mogelijk, het escapisme te bieden waar in die tijden nog wel vraag naar was.

  5. Onbekend

    Goed stuk ga zo door!


Reageer op dit artikel