S&Man (2006)
Voyeur bekijkt voyeur bekijkt voyeur.

25 juni 2009 · · Kritiek

Het kernwoord van horrorfilms is voyeurisme. In horrorfilms is de blik alles. We kijken weg bij de meest bloederige scènes, maar we zijn benieuwd en kijken tussen onze vingers door toch. Vaak gaat het in de horrorfilm ook om de blik van het monster richting de slachtoffers. We zien vaak de mooie schone dame door de ogen van Micheal Myers/ Jason Voorhees/ wie dan ook. We kijken naar momenten (seks en dood) die we eigenlijk niet mogen zien, van onze morele zelf.

En dan bestaat er ook nog de snufffilm. Tenminste, het bestaan van de snufffilm is nooit bewezen. Een snufffilm is een film waarin iemand wordt vermoord (in het echt) wat dan gefilmd wordt voor het oog van de camera. Hoewel het bestaan van snufffilms nooit bewezen is zou het het voyeuristische subgenre bij uitstek zijn. De dood van iemand, en jij ziet het. Veel horrorfilmmakers proberen dan ook mee te liften op het sensatiegehalte van vermeende snufffilms. J.T Petty onderzoekt in S&Man een aantal filmmakers van pseudo-snuff. Pseudo-snuff zijn films die fictief zijn, maar met gesimuleerde moordscènes bedoeld zijn om er uit te zien als realistische snuffilms.

Dit nichegenre is sinds de jaren 80 populair, met beruchte titels als Faces of Death en Ginî piggu 2: Chiniku no hana als grootste voorbeelden. J.T Petty is op zoek naar het waarom van het succes van dit soort films. Wat bezielt de makers om zo realistisch mogelijk sterfscènes neer te zetten? En meer nog, waar komt de fascinatie van de horrorkijker vandaan voor bloed, ingewanden en zo realistisch mogelijke terreur.

Hiervoor interviewt hij professor Carol J. Clover. Zij is de auteur van het boek Man, Women and Chainsaws waarin zij ingaat op voyeurisme en gender-representatie in de horrorfilm. Ook interviewt hij Fred Vogel, filmmaker van het August Underground collectief, Bill Zebub, maker van films met welluidende titels als Rape is a Circle en Skits-o-Phrenia, en Eric Rost, maker van de S&Man-series (uit te spreken als Sandman). Deze filmmakers maken uiterst misogyne films, waarin vrouwen zich ontkleden voor de camera, verkracht en vermoord worden. Het zijn fictiefilms, maar ze zijn bedoeld om een realistische versie te geven van allerlei perversiteiten. J.T Petty beschouwt deze filmmakers van buitenaf. Hij is een voyeur van mensen die de ultieme voyeuristische horrorfilms maken. Maar Petty heeft nog een troef achter de hand.

SPOILERS (wie de conclusie van de film niet wil weten moet vanaf hier niet verder lezen) SPOILERS:
Een van de filmmakers die geinterviewd word vertoont steeds stalkeriger gedrag. Ook begint steeds duidelijker te worden dat deze Eric Rost een nogal bizarre manier heeft om zijn “actrices” te vinden. Bij de kijker rijst het vermoeden dat Eric Rost zijn films niet voor niks zo realistisch zijn. Is dit echte snuff? Het besef dat wat we net gezien hebben wel eens echte moorden hadden kunnen zijn confonteert de kijker met zijn rol als voyeur. We worden gelijkgesteld met de mensen die files veroorzaken door te kijken naar het autowrak langs de weg. We zetten de film niet uit. Zijn we medeplichtig aan moord? Stellen we Eric Rost in staat snuff te maken?

Zoals u al heeft geraden, Eric Rost is fictief. Door een snufffilmmaker op te voeren in zijn film confronteert J.T Petty zijn kijkers. Maar tegelijkertijd stelt hij zichzelf als documentairemaker gelijk aan Fred Vogel en Bill Zebub. Net als hen voert hij sterfscènes op die ons als kijker moeten ontregelen vanwege hun hoog realistische gehalte. Hij pakt hiermee de sensatiebeluste aanpak van horrorfilmmakers als zichzelf aan, en vergelijkt makers van reguliere horrorfilms met moreel dubiezere figuren als Fred Vogel en Bill Zebub. En hij vergelijkt, op subtiele wijze, de fascinatie van dood en verderf van deze filmmakers met dezelfde fascinatie van psychopaten. Zijn we als kijkers ook niet verknipt? Want net zoals deze filmmakers voyeurs zijn, is Petty voyeur van deze filmmakers en maakt hij voyeurs van ons. We kunnen wegkijken maar doen het niet.

In de laatste scène van S&Man trekt Petty het tapijt onder onze voeten weg. Hierin word een vrouw vermoord op zeer realistische wijze. Het lijkt echte snuff en de kijker word geconfronteerd met de morbide fascinatie. We kijken weg, maar zijn nieuwsgierig. Deze dubbele gevoelens werken als een mokerslag. Het stelt vraagtekens bij alle horrorfilms zonder ze te veroordelen, want J.T Petty is ook zo’n horrorfan. Hij bekijkt zichzelf scherp. Hij is voyeur van zichzelf, wij worden voyeurs van onszelf. Stellen vragen bij onze “bloeddorst”. En net zoals Petty in de laatste momenten naar de (fictieve) snufffilm van Eric Rost kijkt, kijken wij over zijn schouder mee. Een voyeuristisch droste-effect: voyeur bekijkt voyeur bekijkt voyeur. En elke voyeur kijkt tegelijkertijd naar zichzelf.

De kracht van S&Man als film is dat deze zijn kijkers uiteindelijk niet veroordeelt. Natuurlijk zijn er vragen te stellen bij het waarom van het kijken naar horrorfilms, maar tegelijkertijd toont de film S&Man ook de kracht van horrorfilms. Kijkers angst aan jagen door ze te willen laten geloven dat er reden is om bang te zijn. Dit maakt S&Man een uiterst gecompliceerde film. Het is, hoewel je het er niet mee eens kunt zijn, belangrijk dat er vragen gesteld wordt over het geweld in horrorfilms. Zelf ben ik iemand die geen moeite heeft met fictief geweld, en die geniet van de visuele bombast van een horrorfilm. Maar toch kan het belangrijk zijn dat een filmmaker de grenzen aangeeft van de horrorfilm (realistische semi-snuff is voor mij zo’n grens, al ligt dat bij iedereen anders) door in het einde van de film erover heen te gaan. Razend knappe film, die als documentaire werkt om mensen bewuster te maken, en als horrorfilm werkt omdat het gewoon razend naar is allemaal. Een mokerslag.



Reageer op dit artikel