Sovjet-cinema: de jaren 30 en 40
Ivan de Verschrikkelijke (1944/1946)

4 maart 2009 · · Analyse + Sovjet-cinema

Vorige week trapte ik mijn vierdelige serie over Sovjet-cinema af met Zemlya, waarbij ik o.a. concludeerde dat het een zeldzame Russische film uit het tijdperk van de geluidloze film was waarin individuen te zien waren. In de jaren daaropvolgend werd deze richting doortastend doorgezet, wat culmineerde in Sergei Eisenstein’s ambitieuze tweeluik over Tsaar Ivan IV. Vandaag dan ook centraal: Ivan de Verschrikkelijke (1944/1946), lichtpunt in de donkere Stalin-jaren.

Gedurende de jaren 30 vond er een forse wending plaats in de manier waarop men in de Sovjet Unie over film dacht. De Partij krijgt steeds meer grip op het productieproces, weet de industrie te stroomlijnen en verwordt ook hierin uiteindelijk tot de allesbeslissende macht. Gevolg is dat de experimentele films die we ons nu van de jaren 20 herinneren niet of nauwelijks meer mogelijk zijn. Deze bereikten immers slechts een kleine elite, terwijl de filmindustrie vanaf dan de grote massa diende te bereiken teneinde het culturele niveau op te krikken. Dit kon alleen als de films te begrijpen waren door het proletariaat.

Naast de hoge moeilijkheidsgraad van deze films misten ze personages die tot identificatie uitnodigden. Eisenstein en co filmden gebeurtenissen, geen personages. Massa’s mensen trokken voor de camera voorbij, zelden werd er een voor het voetlicht gebracht, laat staan emotioneel uitgediept. Een van de ontwikkelingen in de jaren 30 en 40, naast de opkomst van naar Amerikaans (!) voorbeeld geproduceerde genrefilms, is dan ook de introductie van modelfiguren. De Stalincultus naderde haar hoogtepunt, Stalin bepaalde praktisch eigenhandig wat de bevolking te zien kreeg en dus verschenen films als Chapaev (1934) en Aleksandr Nevskiy (1938). Historische werken waarin een krachtig leider het volk de weg wijst. Mijlpaal binnen deze ontwikkeling zijn de films over Tsaar Ivan IV.

Deze films passen enerzijds geheel in het door Stalin gewenste stramien, anderzijds zoekt Eisenstein duidelijk de grenzen op. De uitkomst is dat deel 1 nog vol lof ontvangen werd door Stalin, maar dat het tweede deel, waarin Tsaar Ivan IV wordt neergezet als een heerser die scrupuleus afrekent met naasten die aanspraak wensen te maken op de troon, verboden werd en pas na Stalin’s dood getoond kon worden.

Opmerkelijk is te bedenken dat de Ivan films een exponent zijn van de ontwikkeling dat films personages dienden te bevatten waar de kijker zich mee kon identificeren. De hedendaagse kijker zal hoogstwaarschijnlijk juist een totaal gebrek aan identificatievermogen met de protagonist ervaren. Nikolai Cherkasov als Ivan ziet er met zijn sik buitenissig uit, zijn poses zijn theatraal (het aantal keer dat hij à la Lenin met opgeheven hoofd de lucht in kijkt is ontelbaar), om over de rollende ogen maar te zwijgen. Dit is echter geen kwestie van slecht acteerwerk. Het huidige schoonheidsideaal mag dan acteerwerk zijn dat zo naturel mogelijk wordt gebracht, daarmee is niet gezegd dat dit per definitie is waar naar gestreefd dient te worden. De hier gehanteerde acteerstijl is verwant aan die van de stomme films, toen expressiviteit nog een vereiste was emoties over te brengen. Die noodzaak ontbreekt hier, waardoor de emoties sterk uitvergroot overkomen. De personages stralen uit onderdeel te zijn van een operawaardige tragedie.

Ook verre van naturel is de vormgeving. De gewelfde architectuur is weinig functioneel; de plafonds en deuropeningen zijn laag (het lijkt haast alsof er een beest door een nauwe opening kruipt als Ivan zich er, in dikke bontmantel, doorheen wurmt), schaduwpartijen vertekend. Puur expressionisme. Met name het tweede deel, dat zich vrijwel geheel binnenskamers afspeelt, lijkt in een wereld af te spelen die zich ver van de realiteit bevindt. Eisenstein besteedde veel aandacht aan de gehele enscenering en het is te zien. Elke compositie klopt, de schilderijachtige allure wordt versterkt doordat de camera weinig beweegt. Niet alleen roepen de beelden herinneringen op aan befaamde chiaroscuroschilders als Rembrandt en Caravaggio, de lelijke, haast karikaturale koppen van de personages doen denken aan de tronies van Jeroen Bosch. De intrigant is als zodanig herkenbaar voordat hij een woord gesproken heeft, evenals direct duidelijk is dat de troonpretendent zwakzinnig is. Ruimte voor subtiliteiten is er nauwelijks, zonder ooit te bombastisch te worden.

De acteerstijl, de extreem geuite emoties, de weinig naturalistische omgeving, de archetypische personages: al met al zijn Ivan Groznyy I en Ivan Groznyy II: Boyarsky Zagovor, zoals de films officieel heten, minimaal zo abstract als de te moeilijk bevonden avant gardistische werken uit de jaren 20. Ze laten zich nauwelijks duiden als logisch resultaat uit een langdurige ontwikkeling en de gehanteerde filmstijl is op zichzelf staand. Een meer typerende filmstijl die logisch voortvloeit uit haar tijd, zien we terug in de film die ik volgende week bespreek, als de jaren 50 aan bod komen.



Reageer op dit artikel