Sovjet-cinema: de jaren 60 en 70
De Kleur van de Granaatappel (1968)

18 maart 2009 · · Analyse + Sovjet-cinema

Vorige week ging ik in op de korte bloeiperiode van de Russische film enkele jaren na Stalin’s dood in 1953, en waarvan Als de Kraanvogels Overvliegen een van de belangrijkste hoogtepunten was. Een creatieve periode die mede mogelijk was onder impuls van het lossere bewind van opvolger Chroestjov. Maar toen hij in 1964 vervangen werd door Brezjnev, begon een conservatieve kijk op kunst, die natuurlijk nooit helemaal verdwenen was, weer de overhand te krijgen.

Weliswaar was er in deze periode minder sprake van een opgelegde doctrine zoals die met name in de jaren 40 nog gold voor filmmakers, dat betekende niet dat zij veel vrijheid hadden. Vrijwel alle regisseurs die tijdens de bloeiperiode nog voor creatieve impulsen hadden gezorgd kregen te maken met censuur of vertoningsverboden. Pas rond 1987 kwamen veel van de films die in de jaren 60 gemaakt waren vrij, waarbij geconstateerd kon worden dat lang niet altijd duidelijk was waarom de autoriteiten bepaalde films verboden hadden. De bekendste film die door deze censuur en vertoningsverboden getroffen werd is Andrej Roeblov uit 1967, ook pas eind jaren 80 voor het eerst in zijn volledigheid te zien in de Sovjet Unie. Van Andrej Roeblov is het maar een klein sprongetje naar de film waar ik het in deze laatste aflevering over wil hebben: De Kleur van de Granaatappel (1968), terug naar culturele tradities.

Omdat over de iconenschilder Roeblov maar weinig gegevens bekend zijn voelde Andrei Tarkovsky zich vrij de traditionele vertelstructuren die in films over historische figuren vaak gebruikt worden te negeren. Op een poëtische manier onderzoekt hij de psychologie van een kunstenaar. In veel verder doorgevoerde vorm deed Sergei Paradjanov iets soortgelijks in De Kleur van de Granaatappel, zijn film over Sayat Nova, een Armeense dichter uit de 18e eeuw.

Ook Paradjanov was niet geïnteresseerd in het levensverhaal van zijn onderwerp. Veel meer probeerde hij deze kunstenaar te duiden door een visuele interpretatie van flarden van zijn gedichten en verbeeldingen van de regionale cultuur, terwijl hij het tegelijkertijd breder trok door ook autobiografische elementen in de film te verwerken. Het resultaat is een uit zijn voegen barstend gedicht dat bijkans omvalt door de hoeveelheid symboliek.

Voor de Westerse kijker is het wellicht even schrikken. De geïnteresseerde filmkijker is over het algemeen wel bekend met abstracte speelfilms zonder verhaal, maar zelfs in dergelijke films is er meestal nog wel sprake van een bepaalde opeenvolging van shots die gezamenlijk een gebeurtenis uitbeelden. Een voorbeeld van een dergelijk film, ook al zo’n poëtische exponent, is Tarkovsky’s Zerkalo. Paradjanov gaat nog een stap verder, want de kijker moet het ook zonder die houvast doen. Vaker niet dan wel bestaat er een verband tussen opeenvolgende shots, zodat hij gedwongen wordt op een andere manier te kijken naar de beelden die hij ziet.

De beelden zijn overwegend statisch en gecomponeerd als schilderijen. Zo lijken ze ook wel bekeken te moeten worden. Bewegende schilderijen. Een (figuratief) schilderij is immers een afbeelding waarin de dimensie tijd verdwenen is, maar waar aan de hand van symboliek toch ‘iets’ (een verhaal) verteld wordt. Zo zijn de shots in Granaatappel ook opgebouwd: een man die in een kerk een graf delft terwijl de zaal volstroomt met schapen. Een kind dat op een dak staat terwijl om hem heen overal boeken te drogen hangen. Op zichzelf staande beelden waarin de betekenis niet gezocht moet worden in zijn relatie tot de daaropvolgende of voorafgaande beelden, zoals bij een traditioneel verhaal, maar veeleer in dat beeld zelf.

De zinsnede ‘betekenis zoeken’ is overigens zeer relatief: de Westerse kijker zal waarschijnlijk al snel geen enkele poging hiertoe meer ondernemen. De vereiste achtergrondkennis ontbreekt daarvoor eenvoudigweg. Net als bijvoorbeeld Zerkalo zal Granaatappel dan ook vooral wel of niet gewaardeerd worden om zijn poëtische beeldingskracht. Granaatappel is door het fragmentarische karakter veel minder vloeiend dan Zerkalo en lijkt door zijn historische achtergrond een stuk minder universeel. Wel is er een zelfde aandacht voor de geluidband. Bijzonder is dat het geluid bijna nooit aansluit op de beelden en er geen dialogen zijn. Een dichtregels declamerende voice over en prachtige traditionele muziek vervangt het geluid uit de gefilmde omgeving dikwijls.

Granaatappel is exemplarisch voor het type film zoals die in deze jaren ondanks de censuur toch gewoon gemaakt werden. Opmerkelijk genoeg maakte met name de Georgische filmindustrie, ver weg van Moskou, goede tijden door. Naast Paradjanov maakten regisseurs als Sjengelaja en Aboeladze films met een sterk poëtische inslag en een nadruk op folklore en allerhande tradities.



Reageer op dit artikel