Funny Face (1957)

20 januari 2010 · · Kritiek

“Think Pink” trapt glossyqueen Kay Thompson vrolijk af, waarna in de volgende scène fotograaf Fred Astaire zich moeite getroost zijn model een denkende houding aan te laten nemen: “Are there no models who think as well as they look?”. De derde scène introduceert Audrey Hepburn, zelfverklaard denkster en aanhangster van het ‘empathicalisme’. Funny Face laat er geen gras over groeien en opent direct met de tegenstellingen die in het verloop van de film uitgespeeld gaan worden. De culturen rond mode, fotografie en filosofie, maar ook: uiterlijk, geest en gevoel. Botsingen tussen culturen en karaktertrekken vormen het bestaansrecht van met name (romantische) komedies en musicals in zijn algemeenheid, maar het is de natuurlijke wijze waarop ze in Stanley Donen’s musical in elkaar overvloeien die deze musical verrassend maken.

Noch fotografie, noch mode, noch een intellectuele subcultuur zijn veelvuldig aangegrepen door musicalregisseurs als milieus die de achtergrond voor het verhaal vormen. Het lijkt, in de klassieke musical althans, vaak dichter bij huis gezocht te worden: film, musical, ballet, beeldende kunst of een neutrale ‘gewone’ buitenwereld vormen de milieus waar de hoofdpersonages representanten van zijn die een moeizame, maar uiteindelijk succesvolle match aangaan. In Funny Face conflicteren fotograaf en boekenwurm, maar vindt er niet zozeer een match plaats, doch vinden ze elkaar in iets waar beiden weinig om gaven: mode. Voor Astaire is het fotograferen voor modebladen slechts een pragmatische keuze, die pas interessant wordt met een karakteristiek model zoals hij dat in Hepburn ziet.

Hepburn’s transformatie vindt geleidelijker plaats. Eerst is er een weifelende zangscène in de bedompte boekenwinkel. Op de ravage die Astaire en co daar na een fotosessie hebben achtergelaten is een gifgroene hoed het enige kleurrijke in de scène. Het moment waarop ze deze past valt precies samen met een zelfbewuste pose voor een spiegel, doch de scène eindigt met het afnemen van de hoed waarna de duisternis intreedt. De transformatie zet door in een van de mooiste scènes van de film; in de gloedvol rode ontwikkelkamer, waar Hepburn per ongeluk binnenvalt terwijl Astaire foto’s van haar aan het ontwikkelen is. In deze scène zien we de transformatie bijna letterlijk voltrekken. Het begint met Hepburn die naast een levensgroot negatief van haar gezicht gekaderd wordt en beweert dat ze geen fotomodel kan zijn. Astaire haalt het negatief uit de lichtbak, steeds het enige niet-rode element in de scène, en zet de ontwikkeling ervan voort, onderwijl Hepburn van het tegendeel overtuigend, o.a. door een liedje en een dansje. Dan houdt hij haar de ontwikkelde close-upfoto voor, maar het magische filmmoment volgt daarop: als Astaire de schijnwerper op haar richt, juist als ze voor de lichtbak staat, gevolgd door de eerste (en een van de weinige) close-up van Hepburn.

Een derde scène die in dit kader noemenswaardig is, is de fotoshoot in Parijs. Behalve dat de foto’s prachtig zijn (de befaamde Richard Avedon werd als adviseur ingeschakeld), zien we ook hier weer een ontwikkeling voltrekken. De eerste sessie geeft en passant wat mij betreft het genre musical in een notendop weer als Astaire Hepburn toebijt: “You’re in Paris. You’ve got balloons. There’s a sudden shower. You’re verry happy!”. Onweerstaanbare logica, die Hepburn dan ook repliceert met de vraag waarom ze dan zo gelukkig zou moeten zijn; “Because I say you are!”. 2 sessies later doorziet Hepburn het trucje en in de daaropvolgende shoot is het zij die Astaire dicteert in plaats van andersom.

De zelfverzekerdheid heeft dan de vorm aangenomen dat ze ook in designerjurk naar de rokerige kroeg gaat waar empathicalisten zich ophouden. Prompt zien we de spotlights op haar gericht. Of is het op hem, de door haar bewonderde opper-empathicalist Auclair? Een goed getroffen shot, want dan valt op dat zij tegen de filosofen aankijkt met dezelfde lege blik van aanbidding waarmee anderen fotomodellen verafgoden. En natuurlijk is daar Astaire die die blindheid wegneemt, zoals hij met zijn paternalistische houding Hepburn steeds corrigeert. Hepburn mag bijvoorbeeld dwepen met het empathicalisme (een overigens niet bestaande stroming die als knipoog naar de existentialisten bedoeld is), maar is zelf nog het minst invoelend van allen.

Die wisselwerking tussen Astaire en Hepburn is wel wat hun relatie geloofwaardig maakt. Het leeftijdverschil is enorm, 30 jaar, voor menigeen steen des aanstoots in deze film. Doordat de relatie zo ingekapseld is in én een mentorachtige rol van Astaire én de toch altijd al met zijn eigen mores omgeven verhouding tussen fotograaf en model, heb ik nooit zo’n probleem gehad met dit verschil. Astaire is veel te veel gentleman om hem een seksuele relatie na te zien streven, meer een man van de platonische liefdesrelatie. Met het gebrek aan sensualiteit (hoewel, er is altijd nog Hepburn!) komt het derhalve ook beter weg dan tijdgenoten in het genre, waar sjabloonachtige romantiek alles dood doet slaan. Het duo Astaire-Hepburn is op dit vlak levendiger en, paradoxaal genoeg, overtuigender.

Funny Face doorbreekt misschien nergens wetten van de musical, maar speelt er wel op intelligente wijze mee, en verkiest regelmatig paden die anderen gemeden zouden hebben. Het laat Hepburn zelf zingen en dansen, ofschoon ze geen specialist is op dit vlak. Des te meer maken haar vaardigheden daardoor indruk. Haar dans in het café is ruw en onverfijnd, binnen de context van de scène een gevat antwoord op de formele Astaire, binnen de context van het genre een evenzo scherp antwoord op Astaire’s gestyleerde dansen. In levendigheid kent deze musical zijn gelijke niet, wat ook weer voor een groot deel aan de blijmoedige Hepburn te danken is. Maar met al zijn sprankeling is het toch ook een perfect geconstrueerde film die vol intelligente beeldtaal zit, waarvan veel me pas na 2 of 3 keer kijken opviel. Dus om in lijn met de thema’s van de film de blijven: een film voor het oog, hart én geest!


Onderwerpen:


1 Reactie

  1. Looi van Kessel

    Een fantastische film ja! Funny Face moet wel een van de fijnste en kleurrijkste musicals zijn van de jaren ’50 en zeker een van de glansrollen van Astaire’s latere jaren.
    grappig dat je opmerkt dat er 30 jaar verschil tussen Astaire en Hepburn zit. Op de een of andere manier kreeg Astaire in de jaren ’50 altijd dit soort rollen, waarbij hij ogenschijnlijk jong en jofel over moest komen terwijl hij een actrice van vele jaren jonger het hof maakt. Zo zitten er tussen hem en Vera-Ellen in The Belle of New York 22 jaar, Cyd Charisse in The Band Wagon is tevens 22 jaar jonger en in The Easter Parade is zijn tegenspeelster Judy Garland 23 jaar jonger. Maar het toppunt is wel Royal Wedding, waarin zijn lief een wat minder schokkende 15 jaar jonger is, terwijl de actrice die zijn zus speelt (Jane Powell), die ook nog eens licht gebaseerd schijnt te zijn op zijn eigenlijke oudere zus, maarliefst 30 jaar jonger is!


Reageer op dit artikel