127 Hours (2010)
Overdonderend visueel spektakel rondom een rotsblok

23 februari 2011 · · Kritiek

De strijd die de mens sinds heugenis voert tegen de natuur is een ongelijke wat het meest tragisch duidelijk wordt tijdens natuurrampen zoals de tsunami in 2004. Het kan uiteraard ook op zeer kleine schaal tot rampzalige gevolgen leiden zoals bergbeklimmer en waaghals Aron Ralston ondervond toen hij in 2003 in Utah in een bergspleet donderde en een groot rotsblok op zijn arm viel waarna hij dagen lang vast zat zonder dat ook maar iemand er van af wist aangezien hij niemand had verteld waar hij heen zou gaan. Deze nare ervaring heeft Ralston vastgelegd in zijn boek ‘Between a Rock and a Hard Place’ die nu door Danny Boyle is verfilmd met 127 Hours. Het is een fascinerende en overdonderende visuele ervaring geworden.

Ik verklap weinig met het feit dat Ralston de beproeving heeft overleefd aangezien dit al vanaf het begin van de film duidelijk is. De film is ook niet opgezet als een nagelbijtende avonturenfilm waarbij de spanning blijft of de hoofdpersoon het al dan niet zal overleven zoals bijvoorbeeld het geval was in een andere mens-tegen-natuur-film als Open Water. Nee, in 127 Hours weet je de afloop al en het doet er eigenlijk – net als in bijvoorbeeld David Finchers Zodiac – ook helemaal niet toe. Dit is een film over wilskracht en menselijk instinct dat wordt gekoppeld aan prachtige beelden, ingenieus camerawerk en eerste klas acteerwerk. Dat laatste moet in een film als deze ook bijna wel, aangezien James Franco zo’n beetje de gehele film in zijn eentje in beeld is. Na een introductie van ongeveer een kwartier die er voor de rest van de film nauwelijks toe doet speelt het zich voor 90% af in de spleet waar Ralston vastzit. En naast enkele flashbacks en droomsequenties zien we enkel Franco en dat vervloekte rotsblok.

Dat uitgangspunt klinkt heel saai en had het zomaar kunnen zijn, ware het niet dat Danny Boyle samen met cameraman Anthony Dod Mantle er een visueel kunstwerk van weet te maken. Met vreemde cameraposities – soms zelfs vanuit de camera die Ralston zelf mee heeft genomen – en uitbundige zooms weet Boyle de schitterende omgeving van het nationaal park in Utah te tonen. Een andere ingenieuze vondst is het gebruik van droomsequenties waarbij je je op een gegeven moment afvraagt of wat je ziet nu de realiteit is of niet. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een opkomende storm, maar juist totaal weer niet als Scooby Doo (!) met zijn typerende lach ineens tevoorschijn komt. En dan maakt Boyle ook nog eens gebruik van split screen op sommige momenten, soms zelfs in drieën gesplitst. Noem het over-the-top, maar het werkt in dit geval wonderwel.

Boyle zou Boyle niet zijn als de soundtrack niet piekfijn en verrassend is. Naast de filmcomposities van A.R. Rahman onderscheidt Boyle zich met enkele krankzinnig gekozen liedjes als ‘Lovely Day’ van Bill Withers en ‘Ça Plane Pour Moi’ van Plastic Bertrand om te eindigen met de pompeuze climax van Sigur Rós’ ‘Festival’. Net als Martin Scorsese en Quentin Tarantino bewijst Boyle hiermee niet enkel muziek te kunnen plaatsen die goed passen in het tijdsbeeld dat hij toont maar vooral ook te kiezen voor nummers passend bij de sfeer, soms op een treffend ironische manier.

Veel is er te doen geweest – vooral in de Verenigde Staten – om de scène waarin Ralston zich van een lichaamsdeel moet ontdoen. Er was zelfs bij een voorvertoning een vrouw flauw gevallen. Ik moet toegeven, erg smakelijk is het allemaal niet maar het valt, zeker na alle ophef, wel mee. En net zoals met de beste horrorfilms zit de grootste angst in de kracht van de suggestie aangezien je van de uiteindelijke gebeurtenis maar enkele korte shots te zien krijgt. De rest zit hem in het bezeten gezicht van Franco en handige geluidseffecten.

Niet alles aan 127 Hours is fantastisch trouwens, zo wordt Aron Ralston wel erg neergezet als de ideale schoonzoon. Goed, het is zijn verhaal en wat hij heeft meegemaakt is heftig maar Boyle en consorten doen niet echt de moeite om hem iets minder dan geweldig te neer te zetten. Zeker de scènes waarin Ralston zijn spijt betuigt aan vooral zijn moeder maar ook familie en vrienden is wel erg melodramatisch. Het had allemaal een tikje minder gemogen, maar allicht dat Ralston zelf hier specifiek om gevraagd heeft. Ook ben ik er nog niet helemaal over uit wat de bedoeling van Boyle is met de opening en het slot die razendsnelle beelden laat zien van mensen en verkeer. Misschien een metafoor voor de strijd tussen mens en natuur of eentje die toont dat de wereld doordraait terwijl hij voor Ralston stil lijkt te staan, het is mij niet geheel duidelijk.

127 Hours is tevens een typisch geval van ervaringscinema. Ik vraag me af of de film bij herkijk net zo indrukwekkend is en of hij buiten de bioscoop echt de moeite van het kijken waard is. Ga hem dus vooral op het grote doek kijken en laat je overdonderen door het beeld.


Onderwerpen: ,


Reageer op dit artikel