Russellmania 3: Ken Russell at the BBC (part 2)

13 augustus 2011 · · Russellmania

Vorige week besprak ik de eerste drie films uit de box “Ken Russell at the BBC”. Drie films die zich kenmerkten door het mixen van docu en drama. Ook de drie films die ik vandaag bespreek bevinden zich in een tussenvorm. Het is duidelijk dat er steeds meer een verschuiving plaatsvind richting conventioneel drama, voor zoverre Russell’s stijl conventioneel genoemd kan worden.

Isadora: The Biggest Dancer in The World is een losstaande televisiefilm voor de BBC, die niet te maken had met de restricties van programma’s als Monitor en Omnibus. Dat betekende dat Russell zich niet perse hoefde te houden aan het perfect reconstrueren van een mensenleven, of een documentaire vorm. Hij maakt echter nog wel gebruik van een verteller en interviews, maar deze zijn op een vrij frisse en bizarre manier verwerkt in het geheel.

Isadora: The Biggest Dancer in The World begint als een ode aan Citizen Kane. De Kane in deze film, de danseres Isadora Duncan, wordt eveneens geintroduceerd in een nieuwsbericht die de verhaallijn van de komende film al compleet uit de doeken doet. Het polygoon-journaal wordt hier een sensationele kermis-act, waarbij de opeenvolgende ellende in Isadora’s leven bestaat uit vele ronddansende en zwierende bewegingen. Dit wordt extra pijnlijk duidelijk als de zelfmoord van de man van Isadora in beeld komt als een zweefmolen, waarbij de gehangene nog rondzwaait aan de ventilator. Het is alsof Russell duidelijk wil maken dat alles constant in beweging is, wat toepasselijk is bij een film over een danser.

Het sensationalisme maakt al snel plaats voor een persoonlijke touch, met een verteller die een persoonlijke vriend was van Isadora. De film komt in rustiger vaarwater en doet alle plotpunten nog eens dunnetjes over. Wanneer we bij de hectischer gebeurtenissen komen in Isadora’s leven zwengelt het temp weer aan. Dynamisch gemonteerde dansscènes bevatten dezelfde dynamiek als het melodrama in de dramatische hoogtepunten. De film kent zelfs een heuse achtervolging over daken. Alles in Isadora: The Biggest Dancer in the World draait om tempo en beweging. De vele herhalingen in het plot passen bij de openingsscène die de film bewerkstelligt als een soort van draaimolen. Voor een tv-film uiterst dynamisch, en tekenend voor een persoonlijker invloed van Russell op zijn producten.

Deze persoonlijke touch is ook aanwezig in Dante’s Inferno, een film over het leven van de Prafaëliet Dante Gabriel Rossetti. Dante baseerde zijn schilderkunsten en gedichten op de vroege renaissance en de wat naïevere stijl die daarin aanwezig was. De film begint dan ook met een verbranding van schilderijen van na Rafael. In Ken Russell’s handen roept deze verbranding echter andere beelden op: van Hammer-horror en de boekverbrandingen van Nazi’s. De pre-creditsscène toont al dat Russell zich in gothischer terrein begeeft. Dante die zijn gedichtenboek uit het graf van zijn vrouw haalt wordt bij Russell Grand Guignol, met wormen die uit de oogkassen van het lijk kruipen. En dat voor de BBC.

Dante’s Inferno is nauwelijks meer een documentaire te noemen. Er zijn nu ook scènes waarin de dialoog slechts bedoeld lijkt te zijn om sfeer te creëren en die niet gestoeld zijn op historische bronnen of biografische elementen. Om het plot lijkt Russell zich op een gegeven moment ook niet meer te bekommeren. Zo zijn er verwijzingen naar de mythe van koning Arthur, anachronismen en zelfs een allusie naar Russell’s vroege film Knight on Bikes in de vorm van Ridders…. op motorfietsen. Uiteindelijk verdwijnt zelfs de volledige pretentie van plot ten faveure van bizarre taferelen. We hebben Oliver Reed die een kip imiteert en vele duistere dromen over een naderende dood. Het is Ken Russell die zich niet laat vastbinden door de docu-vorm, en die zich voluit begeeft op het terrein van het onderbewustzijn.

Delius: Song of Summer breekt dan ook voorgoed met de documentaire vorm. Het is wel een biografische film, maar duidelijk gefictionaliseerd en gedramatiseerd. De toon is voor Russell erg ingetogen, maar bevat wel typisch Russell-elementen. Het is voor het eerst dat de BBC zonder schroom verwijst naar syphillus, de ziekte waarin componist Frederick Delius lijdt. We volgen de religieuze jongeman Eric Fenby, die moet zorgen voor de oude, doodzieke, cynische, hufterige en misantropische Delius. Fenby’s geloof wordt op de proef gesteld door Delius, maar er groeit wel langzaam een vriendschap tussen de twee mannen.

De zomerse setting en het rustieke landschap waarborgen de rustige, ingetogen toon van Song of Summer. Russell’s excessen maken plaats voor vele shots van een landelijke omgeving, zomerweiën en koeien. Het had een Sound-of-Music-gehalte aan kitsch kunnen opleveren, maar hier krijgt het iets oprechts en rustgevends. Russell toont voor het eerst én het laatst uit de voeten te kunnen met het ingetogen tonen van menselijke emoties. Voor diepe inzichten in de personages kijk je geen Russell-film, al komt deze film daar wel dicht in de buurt. Russell’s paradepaardjes als muziek, liefde, dood en de kunstenaar komen nu niet visueel naar voren maar door de personages. Het is een welkome afwisseling. Buiten Russell’s oeuvre bekeken is dit misschien een saaie, langdradige bedoening. Binnen Russell’s oeuvre is juist een teken van een auteur die onderzoek doet naar zijn mogelijkheden, en later beslist dat dit toch niet zijn ding is.

Het enige echte Russell-moment is een shot van een dronken priester die zich op de kerkbanken vergrijpt aan een gewillige Franse toeriste. Het is een voor de BBC gewaagd moment. Song of Summer is uiteindelijk in alles een experiment voor de BBC. Het is het tot wasdom komen van een proces dat begon met Elgar, meer docu dan drama, en eindigt met Song of Summer. Song of Summer is, met de nu zelfs ontbrekende non-diegetische narrator, immers de eerste in de reeks die het docu schrapt uit docudrama.

Volgende week: Top 5 Ken Russell-films.


Onderwerpen:


Reageer op dit artikel