De Kleine Blonde Dood (1993)
De film als kritiek op het boek

De Kleine Blonde Dood

De Kleine Blonde Dood (Van de Velde, 1993) bespreken bij de themaweek ‘Nederlandse film: het goede’? Op zichzelf beschouwd is de film nou niet bijzonder interessant. Dat wordt hij voor mij pas in relatie tot de gelijknamige roman van Boudewijn Büch (1948-2002) waarop de film gebaseerd is. Een jaar of vier geleden besloot ik de roman – verreweg Büchs meest bekende en succesvolle – eens te gaan lezen. Büch stond er lange tijd om bekend in zijn eigen literaire kritieken geen kans voorbij te laten gaan een boek af te kraken en ik wilde wel eens weten hoe hij het er zelf vanaf zou brengen.

Ik kan wel zeggen dat het niet is bevallen. Mijn specifieke kritiek op de roman stond me nog helder voor de geest toen ik een paar maanden geleden in aanraking kwam met de film. Het leverde me een leuke kijkervaring op: met de specifieke manier waarop de film de grote lijn van de roman overnam en verbeeldde, en specifieke elementen ten opzichte van de roman veranderde was het net alsof de film mijn kritiek op het boek uitdrukte. Niet dat ik denk dat regisseur Jean van der Velde en producent Rob Houwer, die samen tevens het scenario voor hun rekening namen, het nou echt zo bedoeld hebben maar het maakte een wat middelmatige film ineens een stuk interessanter. In dit artikel zal ik de film vanuit dit perspectief bekijken: de verfilming als kritiek op het boek.

Autobiografie versus fantasie

Büchs roman draait om hoofdpersonage ‘Boudewijn’ en behandelt afwisselend twee verhaallijnen; in beiden staat een vader-zoonrelatie centraal. De eerste verhaallijn speelt zich af in de jaren vijftig en draait om de relatie tussen Boudewijn als kind en zijn door de Tweede Wereldoorlog zwaar getraumatiseerde vader. De tweede verhaallijn, zo’n twintig jaar later, draait om Boudewijn die nu zelf vader is van zijn vijfjarige zoontje Micky.

Allereerst speelt er bij het lezen van de roman de kwestie in hoeverre deze autobiografisch van aard is. Büch noemt de hoofdpersoon naar zichzelf, modelleert het personage duidelijk naar zichzelf en schrijft in de eerste persoon. Dat een schrijver autobiografische elementen en fictie met elkaar verweeft is natuurlijk niet zo vreemd, dat komen we tegen bij vele (Nederlandse) schrijvers, van Jan Wolkers tot Ronald Giphart. Maar sinds zijn dood in 2002 is steeds duidelijker geworden dat Büch in zijn wérkelijke leven een fantast was. Tijdens zijn leven creëerde hij in de media, maar ook voor kennissen en zelfs intimi, een fictieve geschiedenis voor zichzelf, daarmee voor de buitenwereld voorwendend dat het autobiografische gehalte van zijn romans véél groter was dan in werkelijkheid het geval was. Voorbeelden zijn hoe hij als kind een jaar lang in een psychiatrische inrichting zou hebben gezeten (in werkelijkheid een paar weken in een vakantiekolonie om fysiek aan te sterken), hoe hij twee doctorandustitels zou hebben (slechts een mulo-diploma), hoe hij in de jaren zeventig en begin tachtig voorwendde homoseksueel te zijn, maar ook hoe hij kort een zoontje in zijn leven zou hebben gehad dat jong stierf, de kern van De Kleine Blonde Dood dus…

Wanneer critici vermeende autobiografische elementen in twijfel trokken draaide Büch er altijd omheen door te stellen dat het voor een roman niet uitmaakt wat feit is en wat fictie: het gaat om de roman op zich. Een argument dat critici die het opnemen voor Büch ook vaak gebruiken. Nu gaat het me als criticus inderdaad slechts om het beoordelen van de roman, en juist daarom vind ik dat nogal een kromme redenatie. Zo kun je bepaalde elementen als artistiek mislukte creaties van de schrijver bekritiseren – te onrealistisch, te kunstmatig, te vergezocht, te onorigineel etc. – terwijl dat toch een ander verhaal zou worden wanneer de schrijver zich kan beroepen op het feit dat het gewoon allemaal werkelijk zo is voorgevallen. En zo maakt het bij De Kleine Blonde Dood voor mij veel verschil omdat ik bij het lezen nogal vaak het gevoel had dat Büch met de helft van de roman die draait om Boudewijn als vader en zijn zoontje Micky, gewoon schaamteloos een kopie van Jan Wolkers’ moderne klassieker Turks Fruit (1969) heeft proberen te maken (zoals ik me er tijdens het lezen van Büchs novelle De Hel aan stoorde dat deze een slappe kopie was van Bordewijks klassieke novelle Bint, maar dit terzijde).

Bladzijdes: 1 2 3


Onderwerpen: , , , , ,


1 Reactie

  1. Theodoor Steen

    Derde die je in dit rijtje toe kunt voegen (al is dat wel een prima film), het belgische The Broken Circle Breakdown. Explosieve relatie? check. Dode dieren? Check. Dood kind door gezwel in de hersens? Check. Non-chronologische vertelstructuur? Checkkerdecheck.


Reageer op dit artikel